Henri Poincaré

Henri Poincaré

(Geboren 29 april 1854 te Nancy  – Overleden 17 juli 1912 te Parijs), Frans wiskundige, astronoom en natuurfilosoof, neef van president Raymond Nicolas Landry Poincaré. In 1879 promoveerde hij aan de École Nationale Supérieure des Mines op een proefschrift over differentiaalvergelijkingen. Sinds 1881 was hij verbonden aan de Sorbonne, waar hij hoogleraar in de mechanica (1885), in de theoretische fysica en de waarschijnlijkheidsrekening (1886) en ook in de hemelmechanica (1896) werd. Ook doceerde hij aan de École Polytechnique. In 1906 werd hij verkozen tot president van de Académie des Sciences en in 1908 tot lid van de Académie française.

Poincaré deed baanbrekend werk op velerlei gebied, zoals zijn bijdrage aan de theorie van de functies van Fuchs (gedeeltelijk in wedijver met Felix Klein), de groepentheorie en de topologie van de differentiaalvergelijkingen. In de astronomie onderzocht hij het drielichamenprobleem en de evenwichtsvormen van roterende vloeistoffen. In zijn elektriciteitsleer kwam hij dicht bij de relativiteitstheorie en in zijn onderzoekingen aangaande de grondslagen van de wiskunde verdedigde hij het conventionalisme. Hij stelde dat wiskundige axioma’s geen a priori- of experimenteel bevestigde waarheden zijn, maar berusten op conventies, gericht op nut en hanteerbaarheid. Hij zocht de oorzaak van de crisis van de paradoxen in de zgn. impredicatieve definities; zijn predicatieve wiskunde voldoet aan het ‘vicious circle principle’ (Russell). In de natuurwetenschappen onderscheidde hij wetten, op experimenten gefundeerd, en principes als conventionele postulaten. In zijn ‘denkeconomische’ opzet is Poincaré sterk verwant aan Ernst Mach.

WERK: Théorie mathématique de la lumière (2 dln., 1889, 1892); Thermodynamique (1892); Théorie de l’élasticité (1892); Les méthodes nouvelles de la mécanique céleste (3 dln., 1892–1899); Théorie des tourbillons (1893); Capillarité (1893); Théorie analytique de la propagation de la chaleur (1895); Calcul des probabilités (1896); Electricité et optique (1901); La science et l’hypothèse (1902); La valeur de la science (1905); Leçons de la mécanique céleste (3 dln., 1905–1910); Science et méthode (1908); Dernières pensées (1913).

UITG: d. G. Darboux (red.) e.a.: Œuvres (11 dln., 1928–1956, deel 11 met verscheidene besprekingen van Poincarés werk en met correspondentie).

 

Geef een reactie